Donderdag 28 januari 2010 | Redactie Wereldjournalisten
Autochtoon Nederlandse sollicitanten hebben gemiddeld 44% kans op een sollicitatiegesprek, tegen 37% van niet-westerse allochtonen. Op lager en midden functieniveau liggen de kansen voor niet-westerse sollicitanten respectievelijk 8 en 9% lager. Bij functies met klantcontact bedraagt het verschil 9%, bij functies zonder klantcontact 5%.
Vooral in de horeca en de detailhandel krijgen niet-westerse allochtonen minder kansen dan autochtone Nederlanders op een sollicitatiegesprek (resp. 11 en 10%).
In functies op hbo/wo-niveau hebben niet-westerse sollicitanten echter bijna dezelfde kansen als autochtonen. Over het algemeen geldt dat zeker niet-westerse mannen minder kans hebben op een sollicitatiegesprek. De positie van de niet-westerse vrouw ligt daarentegen dichter bij die van de autochtone vrouw. De meeste kans als niet-westerse sollicitant heb je in de financiële en bestuurlijke sector.
Het SCP verrichtte onderzoek aan de hand van 1342 'sollicitaties', waarvan 1142 schriftelijk (gelijke brieven maar onder verschillende namen), en 200 telefonische sollicitaties. De telefonische 'sollicitaties' werden gedaan door 2 Antilliaanse vrouwen, 2 Surinaamse mannen, 8 autochtone mannen en vrouwen. 2 autochtone vrouwen speelden steeds Marokkaanse vrouwen, en 2 autochtone mannen speelden Turkse mannen.
Surinaamse Nederlanders
Een onverwachte uitkomst van het onderzoek is dat Surinaamse Nederlanders het meest gediscrimineerd worden van de 'MAST'-groepen (Marokkanen, Antillianen, Surinamers en Turken) en de Marokkaanse Nederlanders het minst. Uit de Discriminatiemonitor 2007 bleek namelijk dat Marokkaanse Nederlanders de minst gunstige arbeidsmarktpositie hebben van de 4 grote groepen minderheden (Marokkanen,Turken, Surinamers en Antillianen; Andriessen et al. 2007).
Als mogelijke verklaring ziet het SCP het type baan waarop de migrantengroepen in dit onderzoek hebben gesolliciteerd. Zo bieden beleidsbanen of maatschappelijk gerichte banen Marokkaanse Nederlanders mogelijk relatief gezien meer kansen vanwege voorkeursbeleid en/of kennis van de Marokkaanse (doel)groep. Nog een andere verklaring zoekt het SCP in
'subtyping': wanneer iemand sterk afwijkt van een beeld dat van een groep bestaat, wordt deze niet beschouwd als lid van die groep, maar vormt hij of zij een eigen type. Bij met name hoogopgeleide Marokkaanse Nederlanders zou dit mechanisme kunnen werken.
Paramaribo of Willemstad
Tot slot, aldus het SCP, kan het feit dat voor de Surinaamse en Antilliaanse sollicitanten in het cv als geboorteplaats Paramaribo respectievelijk Willemstad opgenomen is, dit verschil verklaren. Mogelijk hebben werkgevers hierdoor, vaker dan bij de Turkse en Marokkaanse sollicitanten, deze kandidaten als ‘allochtonen’ herkend, ook al blijkt uit het cv dat de opleidingen in Nederland zijn doorlopen. Nog een andere mogelijke, niet door het SCP genoemde, verklaring kan zijn dat de auteurs die meededen als telefonische sollicitant aan het praktijkonderzoek of zelf van Surinaamse afkomst waren of gevraagd werden om met een licht accent te praten, terwijl de 'Marokkaanse' en 'Turkse sollicitant' standaard Nederlands spraken.
Onderkant van de arbeidsmarkt
Het SCP maakt de opmerking in het rapport dat het onderzoek is gedaan in een periode van hoogconjunctuur (mei tot eind 2008). Dus, zo stelt het SCP,
zelfs in tijden van krapte op de arbeidsmarkt hebben migranten niet dezelfde kansen als autochtone werkzoekenden. Verder blijken de kansen van migrantengroepen aan de onderkant van de arbeidsmarkt relatief slecht te zijn. Bovendien toont ander onderzoek aan dat niet-westerse migranten de grootste mate van discriminatie ervaren bij het vinden van de eerste baan (Nievers 2007), hoewel dat minder uit dit SCP-onderzoek bleek. Aldus loopt de opwaartse sociaal-economische mobiliteit van de niet-westerse migrant vertraging op.
Volgens het SCP lijkt het onderscheid van de werkgevers vooral te maken te hebben met 'statistische discriminatie; vanwege overwegend ongunstige groepsbeelden wordt de productiviteit van het lid van de desbetreffende groep lager ingeschat.
Het SCP-onderzoek onderzocht slechts de voorfase van het sollicitatieproces; de reacties op brief en telefoontje. De laatste fase of de niet-westerse migrant ook daadwerkelijk de baan krijgt, onderzochten Zweedse onderzoekers in 2007. Zij kwamen, net als Bovenkerk et al. in 1995, tot de conclusie dat wanneer de werknemer eenmaal oog in oog staat met de niet-westerse sollicitant, de kansengelijkheid is afgenomen.
Detailhandel en horeca: extra maatregelen
Het onderzoeksresultaat brengt het SCP ertoe om een aantal beleidsadviezen te doen. Zo zouden er voor de detailhandel en de horeca concrete plannen moeten komen om discriminatie tegen te gaan. In sectoren waar weinig niet-westerse migranten werkzaam zijn, zouden maatregelen genomen kunnen worden om meer allochtonen aan te nemen. De overheid zou dergelijke plannen kunnen ondersteunen door bijvoorbeeld het UWV te vragen om niet-westerse werkzoekenden actief voor te dragen aan werkgevers die meer allochtonen willen aannemen, zoals ook gedaan is in het MKB-convenant van enkele jaren geleden. De minister kan werkgevers actief aanspreken op hun verantwoordelijkheid, bij voorkeur ondersteund door middel van concrete afspraken (zoals eerder gebeurde in het Raamconvenant grote ondernemingen).
Lees het SCP-onderzoek 'Liever Mark dan Mohammed?'