Vrijdag 10 december 2010 | Mercita Coronel
2010 is tot nu toe al een bijzonder jaar voor Suriname geweest. Het land vierde dit jaar 35 jaar onafhankelijkheid van Nederland en koos Desi Bouterse als president. Bouterse wordt verdacht van de Decembermoorden in 1982, waarbij 15 intellectuelen de dood vonden, en van de 50 Moiwana-moorden in 1986. Verder is 'Bouta' in Nederland bij verstek veroordeeld voor drugshandel. De 35-jarige onafhankelijkheid vormde echter voor John Leerdam en Noraly Beyer in eerste instantie de aanleiding om ‘Suriname en ik’ samen te stellen: 56 persoonlijke verhalen over de band van Surinamers met hun vaderland. Dat gedurende het productieproces van het boek Bouterse als president werd gekozen, geeft het 286 pagina tellende boek een extra dimensie omdat sommige schrijvers deze gebeurtenis nog hebben weten te verwerken in hun verhaal. Dit heeft bij Leerdam tot de treffende constatering geleid dat de liefde voor Suriname warm en levend is, maar dat er een ‘rem’ op zit.
Inzegening en begravenis
Die ‘rem’ geldt vooral voor degenen die verwanten hebben verloren bij de Decembermoorden of het toenmalige regime van Bouterse van nabij hebben meegemaakt. Indringend zijn de verhalen in dat verband van onder meer Noraly Beyer, Sandew Hira en Gerard Spong die zich in zijn bijdrage ontgoocheld toont over de richting waarin de democratie in Suriname zich bewogen heeft. Sandew Hira (schrijversnaam van Dew Baboeram, red.) verhaalt over hoe hij in Nederland op de hoogte wordt gesteld van de moord op zijn broer, de advocaat John Baboeram. Zijn ouders zouden op 9 december 1982 naar Suriname vliegen om het huis van zijn broer, een talentvolle, jonge advocaat, in te zegenen. Een journalist belt Hira op met de boodschap dat hij uit kringen rond het ministerie van Binnenlandse Zaken (BiZa) heeft gehoord dat zijn broer voorkomt op de lijst van de vermoorde mensen. Baboeram belt de Suriname-desk binnen BiZa op met de vraag: ‘Staat mijn broer op die lijst?’ De dame aan de andere lijn aarzelt, het lijkt alsof ze de lijst naloopt, schrijft Hira, en zegt dan ‘Het spijt me, maar ik kan u niets zeggen over die lijst.’ De tickets die zijn ouders hebben gekregen van zijn broer om het huis in te zegenen worden gebruikt om hem te begraven.
'Jullie zijn nu allemaal het lul’
Noraly Beyer vertelt in haar bijdrage over de sfeer van intimidatie die bij de Surinaamse Televisie Stichting (STV), waar Beyer als journaliste werkt, gelijk ontstaat de dag na de militaire staatsgreep van Bouterse op 25 februari 1980. De omroep komt in handen van de onderofficieren. ‘Jullie zijn nu allemaal het lul’, roept een soldaat met een geweer om zijn schouder hen toe. Beyer geeft goed aan hoe journalisten zich voor een dilemma gesteld zien: tot hoe ver kun je je werk als journalist nog integer doen zonder je eigen leven in gevaar te brengen? Beyer meldt zich op 26 februari ziek als nieuwslezeres en ziet hoe haar plaatsvervanger met zweetdruppeltjes op zijn hoofd vergezeld van 8 militairen wier uzi’s op de tafel liggen, een verklaring voorleest over de net opgerichte Nationale Militaire Raad. De volgende dag moet Beyer een reportage maken over de formele machtsoverdracht. Achter de ruggen van de STV-journalisten kijkt voortaan de censor mee. De intimidaties van de militairen die op de redactieburelen rondlopen met op de schouder het geweer behoren vanaf 26 februari tot de dagelijkse realiteit.
8 december 1982
Het kippenvel loopt over de rug wanneer Beyer vertelt hoe de periode verloopt in aanloop naar de beruchte 8 december 1982. Twee jaar na de coup zijn kritische geesten opgestaan die het regime de maat nemen. Vroeg in de ochtend van 8 december klopt een vriend bij Beyer aan om te vertellen dat hun gezamenlijke vriend Gerard Leckie, decaan op de universiteit, die nacht van zijn bed is gelicht. Ze bellen advocaat John Baboeram, maar krijgen geen gehoor. En langzamerhand ontdekken ze die dag wie allemaal van huis zijn gehaald; advocaten, intellectuelen en collega’s. Ze zien een beurs geslagen André Kamperveen en een wezenloze Jozef Slagveer, die van voor- tegenstander werd van het regime, op respectievelijk radio en tv verklaren dat ze een staatsgreep hebben willen plegen in opdracht van Nederland. Beyer: ‘Vele jaren later heb ik de conclusie getrokken dat Slagveer en Kamperveen al dood waren toen hun verklaringen werden uitgezonden.’ Twee weken later vertrekt Beyer met haar kind naar Nederland.
Uzi's
Ernestine Comvalius, directeur van Krater Theater en Bijlmer Parktheater, bezoekt Suriname na de staatsgreep in 1980. Ze ontmoet journalist Bram Behr die haar, ondanks dat ze in Suriname is geboren, echt met Suriname in haar volle schoonheid laat kennismaken. In de maand die Comvalius in Suriname verblijft, wordt Behr vier keer gearresteerd en zonder vorm van aanklacht in de cel gestopt. Bij zijn eerste arrestatie is Comvalius aanwezig. Beeldend schrijft ze hoe Behr weigert filmrolletjes aan een militair af te geven. Opmerkzaam schrijft ze over de mensen die Behrs arrestatie in het kantoor zien gebeuren maar ‘stoïcijns’ voor zich uitkijken en geen vin verroeren. Onbegrijpelijk, oordeelt ze. Comvalius reageert boos op de aanhouding van Behr en het openen van haar tas door de militairen. De gezichten van de mannen verstrakken en de uzi is plotseling goed zichtbaar: ‘Mevrouw, hebt u nog commentaar?’ ‘Het was geen spel. Daar stonden geen tinnen soldaatjes en de kogels waren niet van papier. Ik was ontnuchterd en voegde me bij het stille protest.’Ook Behr behoort twee jaar later tot de 15 vermoorden.
Schuldgevoel
Het is een van de belangrijkste waterscheidingen in ‘Suriname en ik’; de mensen die de periodes onder Bouterse wél en zij die die niet hebben meegemaakt. Degenen die deze periodes aan den lijve hebben ondervonden kunnen er in hun bijdragen niet omheen. Verder herbergt 'Suriname en ik' de verhalen van de generatie die naar Nederland is ‘gevlucht’ toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd. Een onafhankelijkheid waarvan Jan Pronk, toenmalig minister van Ontwikkelingssamenwerking, zegt dat die niet opgedrongen was, maar zelf gezocht is: ‘Suriname was geen last.’ De kritische en teleurgestelde Anil Ramdas, laakt de houding van de Surinamers na de onafhankelijkheid die weliswaar in Suriname zijn gebleven maar zich aanvankelijk ledig hielden met feestvieren in plaats van met het land op te bouwen. Een kritiek die door Surinamers in Suriname niet gewaardeerd wordt en zeker niet van iemand die naar Nederland is vertrokken. De kritiek wordt als ‘arrogant’ afgedaan. Een verwijt dat ook bij een andere groep schrijvers in het boek een gevoelige snaar raakt. De groep Surinamers die voor studie naar Nederland vertrok in het vaste geloof dat ze terug zouden keren naar Suriname. Maar dat deden ze niet. De mogelijkheden die Nederland hen bood waren zoveel groter dan het moederland Suriname kon bieden. En ze voelen zich schuldig.
Wakaman
Interessant in het boek is de verklaring die Gloria Wekker, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, geeft voor de massale omarming van Bouterse door Suriname. Bouterse is een product van de koloniale samenleving, zegt Wekker. Een bewering die voor Bouterse kant noch wal zal raken omdat hij zich juist profileert als anti-kolonialist, anti-Nederland. Maar Bouterse is het ‘levende uithangbord’ van de ‘wakaman’, de hosselaar, vindt Wekker. In de koloniale periode is het vinden van allerlei slimmigheidjes dé manier om te overleven en om de zaakjes aan elkaar te kunnen knopen. Succesvol zijn is daarom zo belangrijk in Suriname. En je bent succesvol in Suriname als je geld hebt en kunt uitdelen en niet zozeer wanneer je kunt buigen over een goede opleiding. Hoe je aan dat geld bent gekomen, is minder van belang. Bouterse appelleert bij de Surinamers aan dit voor Surinamers herkenbare beeld.
Surinaamse grond
Wat de uiteenlopende schrijvers in dit boek ondanks de mitsen en maren delen
is hun diep gevoelde verbondenheid met Suriname. Hoe lang of kort of zelfs als men nooit in Suriname heeft gewoond (in het laatste geval word je dan gezien als 'blaka ptata': bruin van buiten, wit van binnen, constateert theatermaker Jörgen Tjon A Fong). De eerste directe voet op Surinaamse bodem op het stoffige vliegveld bij Zanderij - het eenvoudige Pengel-vliegveld beschikt niet over passagierstunnels - geeft iedereen een gevoel van thuiskomen. De Surinaamse grond blijkt van een bijzondere soort. Het is grond dat via de voeten de ziel voorgoed weet te raken. De zinnelijke Surinaamse natuur en samenleving, de etnische diversiteit in Suriname en de humor maken dat iedereen zich ondanks irritaties en verwondering verbonden blijft voelen met Suriname. Ik zie niet zo snel een boek over Nederland verschijnen ('Nederland en ik'?) waarin met zo veel liefde over Nederland wordt gesproken als gedaan wordt in ‘Suriname en ik’ over Suriname. Suriname is volgens muzikant Ronald Snijders ‘het ongrijpbare ding vol tegenstrijdigheid, dat je nooit aan jezelf hoeft uit te leggen.’