zaterdag 25 mei 2013

Gastarbeiders in Nederland

Een grote groep twintigers en dertigers zijn kinderen van gastarbeiders die in de jaren zestig en zeventig naar Nederland kwamen. In een artikel in het NRC Handelsblad van 17 februari 2007 stelt publicist/journalist Asis Aynan, zoon van een Marokkaanse gastarbeider, voor om deze groep eerste generatie gastarbeiders te eren met een monument.  Deze factsheet gaat in op de geschiedenis van de gastarbeiders uit de jaren zestig en zeventig, de gevolgen op maatschappelijk en beleidsmatig gebied en de komst van ‘nieuwe’ gastarbeiders.

donderdag 21 juni 2007 | Redactie Wereldjournalisten

Geschiedenis arbeidsmigratie

Al eeuwenlang komen er mensen uit het buitenland naar Nederland om te werken. De eerste grote groep arbeidsmigranten na de Tweede Wereldoorlog waren de Chinezen die naar Nederland kwamen om een restaurant te beginnen vanwege de grote vraag naar Aziatisch voedsel in Nederland (Nicolaas, 2003). Arbeidsmigratie is dus geen relatief ‘nieuw’ verschijnsel, maar we richten ons hier vanwege de huidige discussie alleen op de door ons land uitgenodigde gastarbeiders.

Na de Tweede Wereldoorlog moedigde de overheid emigratie van Nederlanders naar het buitenland aan, om de toenemende werkloosheid tegen te gaan. Veel mensen vertrokken dan ook richting Canada, de VS, Australië en Nieuw-Zeeland. Tot 1960 was er zelfs sprake van een negatief migratiesaldo: er vertrokken meer mensen uit Nederland dan dat er binnen kwamen. Dit verandert in de jaren zestig, wanneer schaarste aan laagopgeleide arbeidskrachten ontstaat. Daarom haalden werkgevers arbeiders uit landen rond de Middellandse zee (Griekenland, Italië, Joegoslavië, Marokko, Portugal, Spanje, Tunesië en Turkije). Deze zogenaamde ‘gastarbeiders’ waren voornamelijk mannen die vanwege de hoge werkloosheid in hun eigen land graag een kans in Nederland wilden wagen.

De Limburgse mijnen

In eerste instantie ging het vooral om Italianen en Spanjaarden die in de mijnen in Limburg gingen werken. Later vestigden zich veel Turken en Marokkanen in het oosten van het land om te werken in de textielindustrie. Zo waren van de 5,3 duizend Turkse mannen die in 1965 naar Nederland kwamen, 4,9 duizend werkzaam als arbeider in een fabriek of werkplaats (CBS, 1968). In totaal kwamen in de jaren 1965-1974 zo’n 225 duizend immigranten uit landen rond de Middellandse Zee naar Nederland (Nicolaas et al, 2003). Om de immigratiegolf enigszins te reguleren, werden er zogenaamde ‘wervingsakkoorden’ afgesloten met deze landen. Nederland selecteerde de arbeidskrachten op leeftijd, gezondheid en vakbekwaamheid (Tinnemans, 1994). Werkgevers moesten de reiskosten van de gastarbeiders betalen en voor geschikte huisvesting zorgen.  

Turkse gastarbeiders (bron: NPS)

De overheid ging er vanuit dat deze gastarbeiders na voldoende geld in Nederland verdiend te hebben, weer terug zouden keren naar hun land van herkomst. In de jaren zestig was er dan ook geen sprake van een integratiebeleid in Nederland. Veel gastarbeiders verbleven onder erbarmelijke omstandigheden met meerdere mensen op kleine kamertjes en ontvingen lage lonen. Na 1970 werd duidelijk dat de meeste gastarbeiders van plan waren te blijven vanwege de blijvende werkloosheid in hun land van herkomst. Veel vrouwen en kinderen vestigden zich in navolging van hun man en vader in Nederland, waardoor de stroom immigranten uit Turkije en Marokko hoog bleef.

In de jaren zeventig gaat het weer bergafwaarts met de economie in Nederland. In 1973 kondigt de overheid een wervingsstop voor alle mediterrane landen af en in 1979 gaat de nieuwe Wet arbeid buitenlandse werknemers (Wabw) van kracht met als doel de arbeidsmigratie te beperken vanwege de hoog opgelopen werkloosheid in Nederland (Ministerie van SZW, 2006). Vanaf de jaren tachtig wordt dan ook niet meer gesproken over ‘gastarbeiders’, aangezien er geen nieuwe arbeidsmigranten op uitnodiging naar Nederland komen en het duidelijk is geworden dat veel gastarbeiders zich permanent in Nederland vestigen. 

Aantallen in Nederland: toen en nu

In 1970 publiceerde het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid cijfers over de herkomst van de toenmalige gastarbeiders in Nederland (zie tabel 1). Uit dit overzicht blijkt dat de Marokkaanse en Turkse gastarbeiders veruit het grootst in aantal waren. 

Tabel 1. Aantallen en herkomst van gastarbeiders in Nederland op 15 maart 1970

  Man Vrouw Totaal
Grieken 1120 380 1500
Joegoslaven 2440 1350 3790
Marokkanen 15.900 140 16.040
Portugezen 1680 670 2350
Spanjaarden 9810 2510 12.320
Turken 16.940 720 17.660
Note: de groep van Italiaanse gastarbeiders is in dit overzicht niet opgenomen omdat zij i.v.m. de EEG-bepalingen een meer vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt hadden. Hun aantal wordt op 10.000 geschat.

Bron: Theunis, 1970

Volgens het CBS (2004) zijn veel Marokkaanse en Turkse gastarbeiders die in de jaren zestig naar Nederland kwamen, weer terug gegaan naar hun thuisland. Zo’n 30 procent van de Marokkaanse immigranten en 15 procent van de Turkse immigranten die zich in 1965 en 1966 in Nederland vestigden, woonden op 1 januari 2003 nog in Nederland. Ook veel Spanjaarden en Italianen keerden na een periode van arbeid in Nederland weer huiswaarts. Van de Spanjaarden die aan het eind van de jaren zestig naar Nederland immigreerden, waren er zeven van de tien na tien jaar weer vertrokken. Onder Italianen was het aandeel retourmigranten met zes op de tien iets lager (Nicolaas et al, 2003). Van de Turken en Marokkanen die in de jaren zeventig als arbeidsmigrant in Nederland gingen wonen, zijn er wèl veel gebleven. Van de Marokkanen die in 1972 en 1973 naar Nederland kwamen, is 55 procent gebleven en bij de Turken is dit bijna de helft (zie grafiek 1).

Grafiek 1. Immigranten die nog in Nederland wonen, naar jaar van vestiging, 1 januari 2003


Sociaal-economische gevolgen

Eind jaren negentig zorgde de econoom Pieter Lakeman voor pschudding in Nederland door te beweren dat gastarbeiders de Nederlandse samenleving handen vol geld hebben gekost. Lakeman schat dat Nederland de afgelopen twintig jaar meer dan 70 miljard gulden (zo’n 32 miljard euro) aan Marokkaanse en Turkse arbeidsmigranten kwijt is geweest, waardoor de kosten van immigratie veel hoger zijn de baten (Van Asbeck, 1999). De eerste tien jaar leverden de gastarbeiders nog wel geld op, maar door de opeenvolgende recessie verloren velen hun baan. Al eerder, in 1995, deed het Amsterdamse onderzoeksbureau Delphiconsult een zelfde onderzoek als Lakeman maar met een andere conclusie. De overheid kreeg aan premies en belastingen veel meer geld binnen dan zij aan minderheden uitgaf in de vorm van sociale zekerheid, sociale voorzieningen, onderwijs en gezondheidszorg. Dat heeft de overheid per saldo tientallen miljarden guldens opgeleverd (Breedeveld, 2000).

Of de schattingen van Lakeman destijds klopten is dus de vraag, maar feit is wel dat veel gastarbeiders die in de jaren zeventig en tachtig hun baan kwijt raakten, afhankelijk werden van werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Door hun lage opleidingsniveau, eenzijdige beroepsprofiel en onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal, kwamen velen tijdens de economische recessie niet meer aan het werk (Ministerie van SZW, 2006). De Sociaal Economische Raad (SER) plaatst in haar advies over arbeidsmigratiebeleid (2007) hierbij wel de kanttekening dat dit deels lag aan het sociale stelsel in die periode. Zo was er nog geen sprake van beleid gericht op bevordering van de arbeidsparticipatie en integratie in de Nederlandse samenleving. Bovendien zijn natuurlijk niet àlle voormalige gastarbeiders werkloos; velen zijn bijvoorbeeld een eigen onderneming begonnen, of verrichten werk in de dienstverlenende sector.

De tweede en derde generatie

De kinderen van de gastarbeiders doen het inmiddels wel beter dan hun ouders. Steeds meer jongeren van Turkse en Marokkaanse komaf volgen middelbaar of hoger onderwijs, waardoor de perspectieven op een baan beter zijn dan die van hun ouders in de jaren zeventig. Het grootste probleem voor deze generatie is de discriminatie op de arbeidsmarkt. Veel Turkse en Marokkaanse jongeren hebben moeite met het vinden van een stageplaats of baan. Dit geldt vooral voor jongens (GroenLinks, 2006). Als reactie op deze problematiek is door verschillende partijen (zoals de Taskforce Jeugdwerkloosheid, de SER, FNV Jong en GroenLinks) het idee geopperd om anoniem solliciteren mogelijk te maken, waardoor werkgevers in eerste instantie niet de naam van de sollicitant te zien krijgen. Hierdoor zouden de kansen van allochtone werkzoekenden aanzienlijk verhoogd kunnen worden.

‘Nieuwe’ gastarbeiders

De laatste vijftien jaar is er in Nederland sprake van de instroom van een nieuwe groep arbeidsmigranten. Het gaat hier om hooggeschoolden en seizoensarbeiders. De groep hoger opgeleiden verblijft meestal voor langere tijd in Nederland en is afkomstig uit landen als de Verenigde Staten, Japan, China, India, Turkije en Zuid-Afrika. Deze mensen werken voornamelijk in de ICT-sector, op universiteiten en in de financiële dienstverlening. Hooggeschoolde arbeidsmigranten ziet het Nederlandse kabinet graag komen. Deze ‘kennismigranten’ kunnen op verschillende manieren een positief effect hebben op de Nederlandse economie. Ze kunnen bijdragen aan de groei van de Nederlandse economie en brengen nieuwe vormen van ondernemerschap mee. Er zijn tal van voorbeelden van geslaagde immigranten met een succesvol bedrijf die hiermee bijdroegen aan het scheppen van nieuwe banen en internationale concurrentiekracht (Centraal Planbureau, 2007).

Daarnaast trekken in de zomermaanden zogenaamde ‘seizoensarbeiders’ naar Nederland om een paar maanden in de land- en tuinbouw te werken. Deze seizoensarbeiders zijn voornamelijk afkomstig uit Midden- en Oost- Europa en bestaat voor driekwart uit Poolse arbeiders. In 2003 bedroeg het aantal seizoensarbeiders uit Polen, Hongarije, Tsjechië en Slowakije ongeveer 10.000. De toetreding van acht Midden- en Oost-Europese landen per 1 mei 2004 tot de Europese Unie, heeft voor een nog grotere toestroom van seizoensarbeiders gezorgd. Tot 1 mei 2006 mochten Nederlandse werkgevers alleen Poolse arbeiders werven voor banen waarvoor geen Nederlanders te vinden waren, maar sinds 1 mei 2007 zijn de grenzen open voor alle Midden- en Oost-Europese werknemers. Zonder beperkingen en administratieve rompslomp konden duizenden Polen, Slovenen, Litouwers en andere Oost-Europese seizoenswerkers aan de slag in bijvoorbeeld de aardbeien- en aspergeteelt in Zuidoost Brabant (Van Meteren, 2007).

Midden- en Oost-Europeanen

Naast de seizoensarbeiders, komen er sinds het openstellen van de grenzen voor werknemers uit Midden- en Oost-Europa ook steeds meer ‘gewone’ arbeidsmigranten naar Nederland. Voor werknemers uit Polen, Slowakije, Hongarije, Tsjechië, Slovenië, Estland, Letland en Litouwen hoeven werkgevers per 1 mei 2007 geen tewerkstellingsvergunning meer aan te vragen (Ministerie van SZW, 2007). Al sinds de toetreding van de nieuwe Europese lidstaten in 2004 starten veel Polen een eigen bedrijf in Nederland. De Polen vormen sinds 2005 de grootste groep startende etnische ondernemers in Nederland, met een aantal van 3350 in 2006. Veruit de meeste Polen (70%) beginnen een eigen bouwbedrijf, maar ook in de industrie- en landbouwsector (beide 7%) zijn startende Poolse ondernemers te vinden (Kamer van Koophandel, 2007).

Sinds de toetreding van Bulgarije en Roemenië per januari 2007 is ook de immigratie van het aantal Bulgaren en Roemenen naar Nederland fors toegenomen. In de eerste vier maanden van 2007 schreven 2,8 duizend zich in bij een gemeente in ons land, ruim twee keer zoveel als in heel 2006 (CBS, 2007). Roemenen en Bulgaren hebben in ieder geval voor een periode van twee jaar vanaf 1 januari 2007 nog wel een tewerkstellingsvergunning nodig om in Nederland aan het werk te kunnen. De Socialistische Partij heeft zich altijd erg verzet tegen oneerlijke concurrentie van Oost-Europese werknemers op de Nederlandse arbeidsmarkt. Volgens de SP moeten duizenden vaklieden en zelfstandigen in de bouw en transport opboksen tegen de steeds groter wordende instroom van goedkope arbeidskrachten uit landen als Polen, Roemenië en Bulgarije. Ook jongeren die van het vmbo komen, asielzoekers en vluchtelingen moeten concurreren met Oost-Europese arbeidskrachten. Bovendien wijst de SP op de slechte huisvesting waren deze arbeiders ondergebracht worden (SP, 2006; SP, 2007).


Arbeidsmigratiebeleid 

Het Nederlandse arbeidsmigratiebeleid heeft in de loop der jaren een aantal ontwikkelingen ondergaan. Na de grote stroom gastarbeiders plus hun gezinnen die zich in de jaren zestig en zeventig in Nederland vestigden, hanteert de Nederlandse regering vanaf 1979 een restrictiever migratiebeleid. Dat jaar gaat de Wet arbeid buitenlandse werknemers (Wabw) in werking om de stroom arbeidsmigranten te beperken vanwege de hoge werkloosheid in Nederland. Werkgevers moeten eerst een tewerkstellingsvergunning aanvragen voor buitenlandse werknemers. Vanaf 1990 zoeken veel vluchtelingen en asielzoekers hun toevlucht in Nederland en neemt de immigratiestroom weer toe. Bovendien zoeken vanwege de vrije arbeidsmigratie binnen de EU steeds meer Europese arbeidsmigranten hun heil in Nederland. In 2004 kwamen de meeste Europese arbeidsmigranten uit Duitsland (1.837), Polen (1.896) en het Verenigd Koninkrijk (1.895). In 2003 waren de Britten nog veruit in de meerderheid met 2.408 arbeidsmigranten (CBS Statline, 2007).

Vanaf 1995 wordt het arbeidsmigratiebeleid in Nederland steeds strenger. Met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) ligt de nadruk op vergroting van het aanbod binnenlandse werknemers (hogere vrouwenparticipatie en reïntegratie van werklozen en arbeidsongeschikten) boven het aantrekken van nieuwe arbeidsmigranten (Ministerie SZW, 2006). Later ging men over op een meer selectief arbeidsmigratiebeleid met het instellen van de kennismigrantenregeling in 2004, die bepaalt dat voor (hooggekwalificeerde) kenniswerkers boven een bepaalde inkomensgrens geen tewerkstellingsvergunning meer hoeft worden aangevraagd. Voor kennismigranten die een eigen onderneming willen beginnen zijn de regels in 2006 versoepeld. Ook asielzoekers met een tijdelijke verblijfsvergunning hebben sinds 1 mei 2004 geen tewerkstellingsvergunning meer nodig (Sociaal Economische Raad, 2007). Verder is op 25 mei 2007 een voorstel door de ministerraad aangenomen waarin staat dat asielzoekers straks maximaal 24 weken per jaar mogen werken in plaats van de huidige 12 weken. Ook wordt hierin vermeld dat buitenlandse studenten van buiten de EU meer tijd krijgen om een baan in Nederland te vinden (één jaar in plaats van drie maanden). Het minimale beginsalaris dat ze moeten verdienen gaat ook omlaag: van 34.130 euro naar 25.000 euro (Ministerie van SZW, 2007a).

Geconcludeerd kan worden dat hoogopgeleide arbeidsmigranten (kennismigranten) voor meerdere jaren welkom zijn in Nederland (kennismigranten), maar laaggekwalificeerde arbeidsmigranten (seizoenswerkers) slechts voor een aantal maanden. Het eerste komt voort uit de gedachte dat in de toekomst de vraag naar hoger opgeleid personeel in toenemende mate groter zal zijn dan het binnenlands aanbod. De vraag naar laagopgeleid personeel is veel beperkter en seizoensgebonden. Bovendien zijn laagopgeleiden van minder waarde voor de Nederlandse economie.

Bronnen

Asbeck, G. van (1999). “Kosten immigratie veel hoger dan de baten”. In NRC Handelsblad, 28 april 1999. Breedeveld, M. (2000). Goochelen met vele miljarden. Op NRC Webpagina’s, Profiel Allochtonen, 23 maart 2000. http://www.nrc.nl/W2/Lab/Profiel/Allochtonen/economie.html

CBS (1968). Statistiek van de buitenlandse migratie 1965-1966. Den Haag: Staatsuitgeverij.

CBS (2004). Twee van de drie Marokkaanse immigranten zijn in Nederland gebleven. Webmagazine 19 juli 2004. Voorburg: CBS.

CBS (2007). Immigratie uit Bulgarije en Roemenië neemt toe. Webmagazine 18 juni 2007. Voorburg: CBS.

GroenLinks (2006). Notitie discriminatie op de Nederlandse arbeidsmarkt. Den Haag: GroenLinks.

Meteren, W. van (2007). Polen redden Hollandse aardbei. Vrije toegang tot arbeidsmarkt maakt Nederland populair. In Trouw, 31 mei 2005.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2006). Beleidverkennende notitie arbeidsmigratie. Den Haag: Ministerie van SZW.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2006). Vrij verkeer Poolse werknemers per 1 mei. Persbericht 27 april 2007. Den Haag: Ministerie van SZW.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2007a). Ruimere arbeidsmogelijkheden voor buitenlandse studenten en asielzoekers. Persbericht 25 mei 2007. Den Haag: Ministerie van SZW.

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (2007b). Bijdrage Aboutaleb voor arbeidsmarktproject hoger opgeleide vluchtelingen. Persbericht 19 juni 2007. Den Haag: Ministerie van SZW.

Nicolaas, H., Sprangers, A. & Witvliet, H. (2003). Arbeidsmigranten en hun gezinnen. Bevolkingstrends, 2e kwartaal 2003. Voorburg: CBS.

Sociaal-Economische Raad (2007). Advies arbeidsmigratiebeleid. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.

SP (2006). Onderzoek bevestigt stelling SP: hogere werkloosheid door verdere opening grenzen. Nieuwsbericht 8 februari 2006 op www.sp.nl.

SP (2007). Open grenzen per 1 mei vergroot bestaande problemen. Nieuwsbericht 7 april 2007 op www.sp.nl.

Theunis, J.M. (1970). Gastarbeiders. AO-reeks nr. 1333. Amsterdam: Stichting IVIO.

Tinnemans, W. (1994). Een gouden armband. Een geschiedenis van mediterrane immigranten in Nederland (1945-1994). Utrecht: Nederlands Centrum Buitenlanders.
 

Links


Centrum voor de Geschiedenis van Migranten
Het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (CGM) richt zich op historisch onderzoek naar de komst en aanwezigheid van migranten in Nederland en stimuleert internationaal vergelijkend onderzoek naar migratie- en integratieprocessen.
http://www.iisg.nl/cgm/

Historisch Beeldarchief Migranten
Het Historisch Beeldarchief Migranten (HBM) richt zich op het aanleggen van een representatieve beeldcollectie van de geschiedenis van migranten in Nederland.
http://www.iisg.nl/hbm/
• Recente artikelen

exPonto
Download nu gratis ex Ponto Magazine. www.exponto.nl

Media4US

De website Wereldjournalisten / Perspectieven maakt onderdeel uit van het project Media4us, dat etnisch culturele groepen een podium biedt voor hún visie op integratie en participatie in het land waar ze verblijven: België ,Duitsland, Groot Brittannië, Hongarije, Italië, Tsjechië , Nederland, Zweden . Ook wordt samengewerkt met organisaties in de Verenigde Staten. Media4us wordt mede mogelijk gemaakt door het European Integration Fund.
EIF